dinsdag 17 mei 2011

Trans-Kalahari Highway


20 oktober 2010

Festy en Abed laten me aan de kant van de weg achter, om een uur of zeven ’s ochtends, ergens in Block 6 in Gabs. Een stuk of twintig mensen staan al te wachten op een combi die hen naar school of werk zal brengen. Een combi is een minibusje waar in Nederland met veel moeite negen mensen in passen en in Botswana gek genoeg minstens vijftien. Echt comfortabel zit je dan overigens niet. In combi’s gelden twee regels. Regel één is dat de persoon die er na twee of drie stops alweer uit moet zich lekker handig op het achterste bankje nestelt, zodat alle passagiers zich uit het krakende busje moeten worstelen om deze persoon eruit te laten, waarna zij zich weer één-voor-één in het busje kreukelen. Regel twee is dat die vierde persoon er altijd nog naast kan op het krappe bankje, ook al heeft haar achterwerk de afmetingen van een redelijk ruim tweepersoons bed. En dan is er ook nog een soort regel over het doorgeven van het geld (Pula 2,70 per ritje per persoon)aan de passagier in het bankje voor je, die op zijn/haar beurt het verzamelde geld van het achterste bankje doorgeeft aan een persoon op het bankje voor hem/haar, die vervolgens de hand vol bijelkaar verzameld kleingeld weer doorgeeft aan iemand in de rij daarvoor etc etc tot het uiteindelijk bij de bijrijder naast de chauffeur terecht komt, waarna altijd blijkt dat er een tekort is van 5 thebe (ongeveer ehm...een halve eurocent) en dan wordt er net zolang gesoebat en met elkaar gepraat totdat duidelijk is wie toch die schooier is die niet het volledige bedrag heeft willen betalen. Erg efficiënt allemaal dus.

Het systeem van combi’s in Botswana is behoorlijk ingewikkeld voor de nieuweling. Ten eerste is er slechts op enkele plekken de moeite genomen om een echte ‘busstop’ te maken, als in een bord met ‘bus’ erop en een hokje dat wat bescherming zou kunnen bieden voor de altijd brandende zon. Op alle andere plekken is het een kwestie van ‘gewoon weten waar de haltes zijn’/andere mensen imiteren en daar gaan staan wachten waar ook zij staan te wachten (geen waterdichte methode heb ik ondervonden, want Batswana houden ook erg van gewoon nutteloos zomaar ergens aan de kant van de weg rondhangen, dus soms wacht je tevergeefs een half uur op een combi en roep je bovendien nogal wantrouwen over je af want waarom blijft die blanke nou een half uur lang naast ons hangen?)/heel brutaal zijn en langsrijdende combi’s dwingen het stuur in een vloeiende beweging naar links om te gooien en de berm in te rijden terwijl de rest van het verkeer rakelings langs blijft razen. Dit laatste gebeurt door middel van het gebruik van extreem ingewikkelde handgebaren (niet echt een optie dus voor nieuwelingen want als je niet het juiste gebaar kent, en het luistert soms nauw hoeveel vingers je opsteekt en in welke richting, kan je zomaar aan de andere kant van de stad uitkomen dan je oorspronkelijk bedoeld had).
Maar, op deze stralende zomerochtend in oktober heb ik een stapje voor. Festy en Abed hebben me daadwerkelijk bij een halte afgezet en na een paar minuten kan ik dus gelukkig mijn belachelijk zware backpack en mijn drie andere tassen en mezelf in de combi hijsen.Niemand is echt blij met me, want als iemand vier grote tassen bij zich heeft, betekent dit heus niet dat er niet net zoveel passagiers in het busje gestopt dienen te worden. Alleen heeft iedereen dan gewoon nog net iets minder ruimte voor de benen, armen en schouders. Terwijl ik mezelf duizend keer verontschuldig wurm ik me tussen een dame van fors formaat en een klein, verlegen lachend jongetje in schooluniform, dat ondanks mijn pogingen hem wat ruimte te blijven geven al snel met z’n wangetjes plat tegen het raampje aan geplakt zit en niet meer in staat is zijn mobieltje op te nemen als het afgaat, omdat hij geen vinger meer kan bewegen. Zo, op naar het busstation.
Nadat ik in een soepele golfbeweging samen met de andere passagiers uit het busje gerold ben en weer met twee voeten op de grond sta, overvalt de chaos van de bus rank me. Er wonen niet zoveel mensen in Botswana (ongeveer 1,8 miljoen op een oppervlakte ongeveer zo groot als Frankrijk) dus het is vrij zeldzaam om grote verzamelingen mensen bij elkaar te zien. Behalve dus in de bus rank van Gabs, daar is het altijd superdruk en chaotisch. De tientallen mannen negerend die het blijkbaar niet uitmaakt dat ik al besloten heb waar ik heen wil en me er met een tomeloze inzet van proberen te overtuigen dat ik om in Mahalapye/Francistown/Ramotswa/Kanye te komen achter hen aan moet lopen, baan ik me een weg tussen de van dozen en stukken hout in elkaar geknutselde stalletjes waarachter vrouwen zitten die snoepjes, airtime en kleine piramides van tomaten en sinaasappels verkopen. Behalve heel veel mensen natuurlijk ook heel veel bussen (die naar Zimbabwe zijn het leukst om naar te kijken, want die hebben standaard hun eigen formaat aan bagage op hun dak gesjord zitten–inclusief, serieus, 20-kilo zakken rijst en maize meal, koelkasten, televisies en een volledige zitkamer-set van bankstel met twee luie stoelen in bijpassend  oranje-paarse bloemetjesmotief). Helemaal achteraan staat de bus die ik moet hebben, die naar Ghanzi.
Zodra ik erin geklommen ben en mezelf geïnstalleerd heb besef ik me dat dit het moment is tot waar ik een soort van plan had. Ik zou naar Botswana gaan, waar ik in Gaborone de bus zou pakken naar Ghanzi. Want in Ghanzi (of in een dorpje daar vlakbij, dat weet ik op dat moment nog niet eens zeker) is de ngo gevestigd waar ik als vrijwilliger bij ga werken. Als het goed is... En als het goed is weet iemand dus dat ik eraan kom. Maar dat wat ik zeker wist op dat moment hield dus op in die bus naar Ghanzi. En dat was best wel een lekker gevoel eigenlijk.
Vol verwachting en met kriebels in mijn buik staar ik naar buiten als de bus zich piepend en hijgend in beweging zet, en we door de ochtendspits van Gabs rijden. Tien minuten later hebben we de stad achter ons gelaten –Gabs is niet zo groot nee- en rest ons het oneindige en monotone landschap van doornstruiken en uitgedroogd gras van de Kalahari. Negen bloedhete uren lang. Gaborone-Ghanzi is een afstand van een kilometer of 700. En een oude bus gaat niet zo snel. Bovendien stopt de bus ook nog eens een half uur in Jwaneng. En de koeien, paarden, geiten en ezels die zich in wisselende formaties om de 300 meter midden op de weg opstellen versnellen de reis ook niet bepaald.
Maar ik vind het allemaal prima. Ik geniet van het uitzicht op de doornstruiken (dat ik dan nog opwindend en zo anders vind...die nieuwigheid is er inmiddels wel een beetje van af:-)en van de muziek uit mijn Ipod. En als je je even verveelt in een bus in Botswana, kun je altijd het raampje-open-raampje-dicht spelletje spelen. Dat gaat zo: jij doet een raampje open (omdat het binnen in de volgepakte bus verdomme 45C is en je liever niet stikt of smelt). Een paar seconden later pelt de vrouw naast je zich uit haar drie dikke dekens vandaan en doet zij demonstratief het raampje weer dicht. Dan wacht je een paar minuten, tot het moment dat je letterlijk grote druppels zweet langs je scheenbenen voelt lopen –een plek waarvan ik persoonlijk voordat ik naar Botswana kwam niet wist dat je er kon zweten-  en doe je het raampje weer open. En dan doet zij hem dus weer dicht.
Om een uur of vijf rijdt de  bus dan eindelijk Ghanzi in en stoppen we op een zanderig veldje naast de plaatselijke supermarkt, duidelijk de bus rank. Opgelucht en enthousiast spring ik de bus uit en vul ik mijn longen met frisse lucht (meteen gevolgd door de rook van een sigaret, natuurlijk). Ik ben waar ik moet zijn. Dus. Wat nu?

Geen opmerkingen:

Een reactie posten