dinsdag 31 mei 2011

De eerste regens van de Kalahari

21 oktober 2010
“The rains are coming” zegt Blackie vol vertrouwen terwijl hij omhoog kijkt naar de strakblauwe lucht. Dan is hij weer stil en kijkt verlegen naar de grond. De lange Nederlandse Hessel die ruim twintig jaar geleden als christelijke zendeling samen met zijn vrouw naar D’kar kwam lacht en vertelt me dat de mensen in D’kar al zes maanden geen druppel regen hebben gezien. Maar dat is normaal, we zijn tenslotte in de woestijn. Het is mijn tweede dag in D’kar. Gistermiddag zette Johnstin, een Ghanese accountant die samen met Tariro uit Zimbabwe over het geld van Kuru gaat, mij af bij een langwerpig wit stenen huis in het midden van het dorp. Mijn voorlopige thuis. Daar stond Laura, de coordinator van het Community Health Programme om mij te verwelkomen. Een beetje onwennig –want wat is dat nou weer voor insect en jezus is dat kabaal dat ik hoor echt afkomstig van ezels?- maar heel erg blij en tevreden kookte ik die avond een simpel maaltje van  blikgroenten en brood (het enige dat op de planken van de plaatselijke tuck shops te vinden is) en verdeelde ik mijn weinige bezittingen uit mijn tas strategisch over de twee kamers in het huis (een slaapkamer en een keuken, met daartussen een ‘overloop’ in de buitenlucht met de deur naar de wc en de douche) om zo de ruimtes toch een beetje te vullen. 



Die ochtend waren Laura en ik in haar auto de 40 kilometer naar Ghanzi gereden om bij de twee supermarkten (Spar en Choppies) en de verzameling aan China shops (kleine winkeltjes gerund door, jawel, Chinezen, waar je werkelijk alles kunt kopen, van telefoons, usb-sticks en radio’s, tot kleding, slippers, fietsen en tafeltjes) de dingen te kopen die ik nodig dacht te hebben. Ik kwam thuis met tassen vol etenswaren (want wie weet wanneer ik weer de kans zal hebben om naar de winkels in Ghanzi te gaan) en wat huishoudelijke noodzakelijheden als afwasmiddel en toiletpapier. Na de lunch kwam Laura me weer ophalen en reden we over een zandpad naar het kantoor, een paar minuten verderop. En daar stapte ik vervolgens bij Blackie, de driver van Letloa Health in een van de werk-auto’s zodat hij mij zou kunnen laten kennismaken met D’kar. We reden over zandweggetjes, allerlei richtingen op, en kwamen steeds weer uit op de brede gravel road die als middelpunt door het dorp loopt. We gingen langs bij het Kuru Art Project, waar Maude me de prachtige kleurige San schilderingen liet zien. Ik maakte kennis met de werknemers van D’kar Trust, nam een kijkje in het museum (onderdeel van het cultural centre, dat onderdeel is van D’kar Trust), dronk thee met een groepje vrouwen die van karton kralenkettingen aan het maken waren, nam een kijkje in het kantoor van health officer Susan en aan het eind van de middag belandden Blackie en ik bij Hessel en Coby en hun Naro Language Project.  Deze twee Hollandse zendelingen zijn er verantwoordelijk voor dat het Naro (de taal van de grootste San groep in D’kar) nu een geschreven taal is (niet dat alle San kunnen lezen en schrijven...) en dat ergens in 2011 een Naro vertaling van de bijbel zal worden gedrukt. En daar werken ze samen met hun team van vertalers dus al een jaar of twintig aan. Ik weet niet zo goed wat ik daar nou van moet vinden maar besluit dat ik in elk geval erg onder de indruk ben van het gemak waarmee Hessel in de onmogelijke klik-taal met Blackie praat. Ik krijg van hem ook meteen even een crash course in de wijze waarop de vijf verschillende kliks worden geproduceerd en krijg als huiswerk de handouts mee die door het Language Project zijn geproduceerd. En een boekje met bijbel verhalen in Naro...tsja...



De zon blijft die middag keihard schijnen en met het zweet op mijn lijf loop ik met Blackie[1] naar het einde van de gravel road, waar de enige bar van D’kar elke avond de deuren opent. Ik koop wat biertjes en loop terug, naar het kleine erfje met de huizen van Laura en Molly (een Peace Corp Volunteer uit de VS) waar we happy hour drinks hebben en een heerlijke maaltijd eten van sla uit Laura’s groententuintje. Na een hele gezellige avond vol gesprekken over de verschillen tussen leven in D’kar en in de States/Europa klik ik mijn zaklamp aan en loop ik onder de prachtige sterrenhemel naar mijn witte huis toe. Hemelsbreed een afstand van nog geen 200 meter, maar in het donker in de bush lijken alle bomen op elkaar, dus het kost me zeker 10 minuten om mijn weg te vinden. En dan, net als ik het hangslot aan mijn buitendeur heb dichtgemaakt en in mijn huis sta, krijgt Blackie toch nog gelijk: de eerste regen van de Kalahari valt met bakken naar beneden op de uitgedroogde zandpaden en doornstruiken van D’kar.




[1] Okay, ik moet nu toch echt even iets zeggen over die naam, die ik vanwege de voor mij politieke incorrectheid maar lastig vind om uit te spreken aan het begin. De San vinden zichzelf niet black, maar rood of geel. De BaTswana, dat zijn blacks, en de blanken gewoon blank. Blackie heeft voor een San een behoorlijk donkere huid en dat heeft zijn ouders bij zijn geboorte doen besluiten dat dit wel een geschikte naam was

dinsdag 17 mei 2011

Trans-Kalahari Highway


20 oktober 2010

Festy en Abed laten me aan de kant van de weg achter, om een uur of zeven ’s ochtends, ergens in Block 6 in Gabs. Een stuk of twintig mensen staan al te wachten op een combi die hen naar school of werk zal brengen. Een combi is een minibusje waar in Nederland met veel moeite negen mensen in passen en in Botswana gek genoeg minstens vijftien. Echt comfortabel zit je dan overigens niet. In combi’s gelden twee regels. Regel één is dat de persoon die er na twee of drie stops alweer uit moet zich lekker handig op het achterste bankje nestelt, zodat alle passagiers zich uit het krakende busje moeten worstelen om deze persoon eruit te laten, waarna zij zich weer één-voor-één in het busje kreukelen. Regel twee is dat die vierde persoon er altijd nog naast kan op het krappe bankje, ook al heeft haar achterwerk de afmetingen van een redelijk ruim tweepersoons bed. En dan is er ook nog een soort regel over het doorgeven van het geld (Pula 2,70 per ritje per persoon)aan de passagier in het bankje voor je, die op zijn/haar beurt het verzamelde geld van het achterste bankje doorgeeft aan een persoon op het bankje voor hem/haar, die vervolgens de hand vol bijelkaar verzameld kleingeld weer doorgeeft aan iemand in de rij daarvoor etc etc tot het uiteindelijk bij de bijrijder naast de chauffeur terecht komt, waarna altijd blijkt dat er een tekort is van 5 thebe (ongeveer ehm...een halve eurocent) en dan wordt er net zolang gesoebat en met elkaar gepraat totdat duidelijk is wie toch die schooier is die niet het volledige bedrag heeft willen betalen. Erg efficiënt allemaal dus.

Het systeem van combi’s in Botswana is behoorlijk ingewikkeld voor de nieuweling. Ten eerste is er slechts op enkele plekken de moeite genomen om een echte ‘busstop’ te maken, als in een bord met ‘bus’ erop en een hokje dat wat bescherming zou kunnen bieden voor de altijd brandende zon. Op alle andere plekken is het een kwestie van ‘gewoon weten waar de haltes zijn’/andere mensen imiteren en daar gaan staan wachten waar ook zij staan te wachten (geen waterdichte methode heb ik ondervonden, want Batswana houden ook erg van gewoon nutteloos zomaar ergens aan de kant van de weg rondhangen, dus soms wacht je tevergeefs een half uur op een combi en roep je bovendien nogal wantrouwen over je af want waarom blijft die blanke nou een half uur lang naast ons hangen?)/heel brutaal zijn en langsrijdende combi’s dwingen het stuur in een vloeiende beweging naar links om te gooien en de berm in te rijden terwijl de rest van het verkeer rakelings langs blijft razen. Dit laatste gebeurt door middel van het gebruik van extreem ingewikkelde handgebaren (niet echt een optie dus voor nieuwelingen want als je niet het juiste gebaar kent, en het luistert soms nauw hoeveel vingers je opsteekt en in welke richting, kan je zomaar aan de andere kant van de stad uitkomen dan je oorspronkelijk bedoeld had).
Maar, op deze stralende zomerochtend in oktober heb ik een stapje voor. Festy en Abed hebben me daadwerkelijk bij een halte afgezet en na een paar minuten kan ik dus gelukkig mijn belachelijk zware backpack en mijn drie andere tassen en mezelf in de combi hijsen.Niemand is echt blij met me, want als iemand vier grote tassen bij zich heeft, betekent dit heus niet dat er niet net zoveel passagiers in het busje gestopt dienen te worden. Alleen heeft iedereen dan gewoon nog net iets minder ruimte voor de benen, armen en schouders. Terwijl ik mezelf duizend keer verontschuldig wurm ik me tussen een dame van fors formaat en een klein, verlegen lachend jongetje in schooluniform, dat ondanks mijn pogingen hem wat ruimte te blijven geven al snel met z’n wangetjes plat tegen het raampje aan geplakt zit en niet meer in staat is zijn mobieltje op te nemen als het afgaat, omdat hij geen vinger meer kan bewegen. Zo, op naar het busstation.
Nadat ik in een soepele golfbeweging samen met de andere passagiers uit het busje gerold ben en weer met twee voeten op de grond sta, overvalt de chaos van de bus rank me. Er wonen niet zoveel mensen in Botswana (ongeveer 1,8 miljoen op een oppervlakte ongeveer zo groot als Frankrijk) dus het is vrij zeldzaam om grote verzamelingen mensen bij elkaar te zien. Behalve dus in de bus rank van Gabs, daar is het altijd superdruk en chaotisch. De tientallen mannen negerend die het blijkbaar niet uitmaakt dat ik al besloten heb waar ik heen wil en me er met een tomeloze inzet van proberen te overtuigen dat ik om in Mahalapye/Francistown/Ramotswa/Kanye te komen achter hen aan moet lopen, baan ik me een weg tussen de van dozen en stukken hout in elkaar geknutselde stalletjes waarachter vrouwen zitten die snoepjes, airtime en kleine piramides van tomaten en sinaasappels verkopen. Behalve heel veel mensen natuurlijk ook heel veel bussen (die naar Zimbabwe zijn het leukst om naar te kijken, want die hebben standaard hun eigen formaat aan bagage op hun dak gesjord zitten–inclusief, serieus, 20-kilo zakken rijst en maize meal, koelkasten, televisies en een volledige zitkamer-set van bankstel met twee luie stoelen in bijpassend  oranje-paarse bloemetjesmotief). Helemaal achteraan staat de bus die ik moet hebben, die naar Ghanzi.
Zodra ik erin geklommen ben en mezelf geïnstalleerd heb besef ik me dat dit het moment is tot waar ik een soort van plan had. Ik zou naar Botswana gaan, waar ik in Gaborone de bus zou pakken naar Ghanzi. Want in Ghanzi (of in een dorpje daar vlakbij, dat weet ik op dat moment nog niet eens zeker) is de ngo gevestigd waar ik als vrijwilliger bij ga werken. Als het goed is... En als het goed is weet iemand dus dat ik eraan kom. Maar dat wat ik zeker wist op dat moment hield dus op in die bus naar Ghanzi. En dat was best wel een lekker gevoel eigenlijk.
Vol verwachting en met kriebels in mijn buik staar ik naar buiten als de bus zich piepend en hijgend in beweging zet, en we door de ochtendspits van Gabs rijden. Tien minuten later hebben we de stad achter ons gelaten –Gabs is niet zo groot nee- en rest ons het oneindige en monotone landschap van doornstruiken en uitgedroogd gras van de Kalahari. Negen bloedhete uren lang. Gaborone-Ghanzi is een afstand van een kilometer of 700. En een oude bus gaat niet zo snel. Bovendien stopt de bus ook nog eens een half uur in Jwaneng. En de koeien, paarden, geiten en ezels die zich in wisselende formaties om de 300 meter midden op de weg opstellen versnellen de reis ook niet bepaald.
Maar ik vind het allemaal prima. Ik geniet van het uitzicht op de doornstruiken (dat ik dan nog opwindend en zo anders vind...die nieuwigheid is er inmiddels wel een beetje van af:-)en van de muziek uit mijn Ipod. En als je je even verveelt in een bus in Botswana, kun je altijd het raampje-open-raampje-dicht spelletje spelen. Dat gaat zo: jij doet een raampje open (omdat het binnen in de volgepakte bus verdomme 45C is en je liever niet stikt of smelt). Een paar seconden later pelt de vrouw naast je zich uit haar drie dikke dekens vandaan en doet zij demonstratief het raampje weer dicht. Dan wacht je een paar minuten, tot het moment dat je letterlijk grote druppels zweet langs je scheenbenen voelt lopen –een plek waarvan ik persoonlijk voordat ik naar Botswana kwam niet wist dat je er kon zweten-  en doe je het raampje weer open. En dan doet zij hem dus weer dicht.
Om een uur of vijf rijdt de  bus dan eindelijk Ghanzi in en stoppen we op een zanderig veldje naast de plaatselijke supermarkt, duidelijk de bus rank. Opgelucht en enthousiast spring ik de bus uit en vul ik mijn longen met frisse lucht (meteen gevolgd door de rook van een sigaret, natuurlijk). Ik ben waar ik moet zijn. Dus. Wat nu?

maandag 2 mei 2011

Telefoonstalkers


18 Oktober 2011

Toen ik ruim twee jaar geleden voor het eerst in Botswana was, kocht ik meteen de eerste dag een Mascom simkaart. Om de één of andere reden zorgde het hebben van mijn eigen Botswaanse nummer ervoor dat ik me zelfstandig voelde en klaar voor de uitdagingen die mijn veldwerk onderzoek met zich zouden meebrengen. Ik was geen toerist, geen safari-ganger die maar een paar dagen in het zuidelijk Afrikaanse land zou verblijven om foto’s te maken van olifanten en spannende verhalen over nijlpaarden die kano’s aanvallen te verzamelen. Nee, ik ging hier wonen en onderzoek doen en mijn best doen om te ontdekken wie de mensen van Botswana zijn en hoe dat te verklaren valt. En mijn eigen Botswaanse nummer gaf me het eerste beetje zelfvertrouwen dat ik nodig had om mezelf ervan te overtuigen dat het me zou gaan lukken om erbij te horen.

Nadat ik mijn backpack en laptop had achtergelaten in de aftandse kamer van het shabby hotel (bruin water uit de kraan, spinnenwebben aan de krakende ventilator en verdachte vlekken op het laken) liep ik met een hoofd dat bijna uit elkaar knalde van de eerste indrukken en verwachtingen naar het pleintje van African Mall. Een houten picknicktafel onder een boom was duidelijk de place to be. Een groep mensen zat er te praten, lachen en grote flessen Black Label weg te tikken. Ik kocht een biertje in de bar en ging op een stoepje zitten. Terwijl ik een schrift uit mijn tas pakte om de eerste indrukken op papier te krijgen en zo wat ruimte te maken in mijn hoofd zag ik één van de mannen opstaan van de picknicktafel en op mij aflopen. "What are you doing? This is Africa. You cannot drink alone here!".




Een uur later was ik aangeschoten en euforisch. Mijn eerste avond in Gaborone en ik had nu al hele leuke mensen leren kennen en één van hen was zelfs een dokter (okay, uit Zimbabwe en werkloos, maar toch) en dus mijn eerste aanknopingspunt voor mijn onderzoek!  En wat was ik blij dat ik iedereen mijn telefoonnummer kon geven voordat ik terugliep naar mijn hotelkamer! Dokter Emmanuel zou me in contact brengen met het Ministry of Health (nooit gebeurd), ik zou later die week gaan lunchen met Lisa en een vriendin (dat gebeurde en werd een terugkerende activiteit) en een paar aardige gasten zouden me meenemen naar hun voetbalwedstrijd de volgende dag/me de winkel laten zien waar ik adapters kon kopen/uitnodigen voor een feestje. Ik geef de Black Labels en mijn overdreven enthousiasme om me in dit nieuwe land te storten de schuld maar je kunt het ook pure naïviteit noemen. Drie maanden later moest ik noodgedwongen een nieuwe simkaart kopen omdat de mannen die ik die eerste avond had ontmoet me nog steeds gemiddeld tien keer per week belden om me te vertellen dat ze van me houden en dat ze met me willen trouwen.

Ik mag dan een beetje naïef zijn, maar ik ben niet dom. Deze keer geef ik in Botswana heus niet zomaar mijn telefoonnummer aan Jan en alleman! Op 18 oktober 2010, mijn tweede dag terug in het land, koop ik een nieuwe simkaart, Orange deze keer, en kies ik het nummer van de klantenservice om me te registreren. Een vriendelijke stem, een jonge man, begroet me aan de andere kant van de lijn. Nadat we uitgemaakt hebben dat ik niet genoeg Setswana spreek om in deze taal het gesprek voort te zetten schakelt hij over naar Engels, introduceert hij zichzelf als Gabriel en zegt hij dat hij wat gegevens van me nodig heeft. Prima. Naam, Post Office box (ik geef die van de organisatie waar ik misschien ga werken) en paspoort nummer. Bij de vraag over het paspoort raakt de jongen een beetje in de war. "Ah, so you are not from Botswana?" Ik leg hem uit dat ik uit Nederland kom, en net als ieder ander die ik in de afgelopen dagen ontmoette (inclusief de douane beambte en de chauffeer van de bus) reageert hij daarop met een "Oh... I’m so sorry about the World Cup".  Ik bedank hem voor zijn medeleven en kap zijn beschouwing over het agressieve spel van het Nederlands elftal in de finale wedstrijd beleefd af.
Dan vraagt hij me naar mijn beroep , wat me de gelegenheid geeft om te oefenen met het overtuigend gebruiken van mijn pas verworven titel van Medisch Antropoloog. Nu is Gabriel echt geïnteresseerd. Hij zegt dat hij het volgende niet hoeft te vragen voor de registratie maar dat hij heel erg nieuwsgierig is naar wat je als Medisch Antropoloog nou eigenlijk doet. Zoals gewoonlijk wanneer deze vraag gesteld wordt baal ik ervan dat ik na zeven jaar studie nog steeds niet in staat ben om hierop een kort en duidelijk antwoord te geven. Ik stotter iets over dat ik bij het community health team van een lokale ngo in Ghanzi District ga werken. Gabriel is niet meer te houden. Er volgt een betoog over hoe fantastisch hij het vindt dat er mensen zijn die iets voor anderen willen betekenen en dat Botswana mensen zoals ik nodig heeft. Ik voel me nogal ongemakkelijk met het ontvangen van dit compliment en zeg hem dat ik het als een geluk beschouw dat het het soort werk waar ik plezier in heb ook nog eens andere mensen zou kunnen helpen. Dan buig ik vriendelijk maar dwingend het gesprek weer om naar details over mijn persoonsgegevens. Nadat Gabriel me heeft uitgelegd wat de volgende stappen zijn voor het activeren van mijn simkaart bedankt hij me voor het gesprek en wenst hij me een fijne dag ("Talking to you made mine definately into a good day!"). Overvallen door deze voor Botswaanse begrippen ongebruikelijke klantvriendelijkheid en extreem enthousiasme blijf ik een beetje beduusd met mijn telefoon in mijn hand zitten.
Een paar uur later gaat mijn telefoon. Verbaasd, want ik heb mijn nieuwe nummer toch nog aan niemand gegeven, neem ik op. Het is Gabriel, van de Orange klantenservice. "Hi Anna, I really enjoyed talking to you and I just knocked off and I wanted to call you again because I want to get to know you and call you sometime". Aaarghh! Dus zo werkt het in Botswana? Zelfs als je er heel bewust voor zorgt dat niemand je nummer heeft tenzij je echt graag wilt dat iemand je belt, ontkom je niet aan (ongetwijfeld heel erg aardige) opdringerige gasten die je maar blijven bellen!

Zes maanden later kan ik overigens ook een collega, twee verpleegkundigen, een man die één van mijn trainingen heeft bijgewoond, de loodgieter die de verbouwing van ons kantoor heeft gedaan en de gast van de bank bij wie ik mijn rekening geopend heb tot mijn telefoonstalkers rekenen. En geloof me, geen van hen heeft mijn nummer gekregen omdat het mij een leuk idee leek dat hij mij zou gaan bellen buiten officiële zaken en werktijden om :-)