“The rains are coming” zegt Blackie vol vertrouwen terwijl hij omhoog kijkt naar de strakblauwe lucht. Dan is hij weer stil en kijkt verlegen naar de grond. De lange Nederlandse Hessel die ruim twintig jaar geleden als christelijke zendeling samen met zijn vrouw naar D’kar kwam lacht en vertelt me dat de mensen in D’kar al zes maanden geen druppel regen hebben gezien. Maar dat is normaal, we zijn tenslotte in de woestijn. Het is mijn tweede dag in D’kar. Gistermiddag zette Johnstin, een Ghanese accountant die samen met Tariro uit Zimbabwe over het geld van Kuru gaat, mij af bij een langwerpig wit stenen huis in het midden van het dorp. Mijn voorlopige thuis. Daar stond Laura, de coordinator van het Community Health Programme om mij te verwelkomen. Een beetje onwennig –want wat is dat nou weer voor insect en jezus is dat kabaal dat ik hoor echt afkomstig van ezels?- maar heel erg blij en tevreden kookte ik die avond een simpel maaltje van blikgroenten en brood (het enige dat op de planken van de plaatselijke tuck shops te vinden is) en verdeelde ik mijn weinige bezittingen uit mijn tas strategisch over de twee kamers in het huis (een slaapkamer en een keuken, met daartussen een ‘overloop’ in de buitenlucht met de deur naar de wc en de douche) om zo de ruimtes toch een beetje te vullen.
Die ochtend waren Laura en ik in haar auto de 40 kilometer naar Ghanzi gereden om bij de twee supermarkten (Spar en Choppies) en de verzameling aan China shops (kleine winkeltjes gerund door, jawel, Chinezen, waar je werkelijk alles kunt kopen, van telefoons, usb-sticks en radio’s, tot kleding, slippers, fietsen en tafeltjes) de dingen te kopen die ik nodig dacht te hebben. Ik kwam thuis met tassen vol etenswaren (want wie weet wanneer ik weer de kans zal hebben om naar de winkels in Ghanzi te gaan) en wat huishoudelijke noodzakelijheden als afwasmiddel en toiletpapier. Na de lunch kwam Laura me weer ophalen en reden we over een zandpad naar het kantoor, een paar minuten verderop. En daar stapte ik vervolgens bij Blackie, de driver van Letloa Health in een van de werk-auto’s zodat hij mij zou kunnen laten kennismaken met D’kar. We reden over zandweggetjes, allerlei richtingen op, en kwamen steeds weer uit op de brede gravel road die als middelpunt door het dorp loopt. We gingen langs bij het Kuru Art Project, waar Maude me de prachtige kleurige San schilderingen liet zien. Ik maakte kennis met de werknemers van D’kar Trust, nam een kijkje in het museum (onderdeel van het cultural centre, dat onderdeel is van D’kar Trust), dronk thee met een groepje vrouwen die van karton kralenkettingen aan het maken waren, nam een kijkje in het kantoor van health officer Susan en aan het eind van de middag belandden Blackie en ik bij Hessel en Coby en hun Naro Language Project. Deze twee Hollandse zendelingen zijn er verantwoordelijk voor dat het Naro (de taal van de grootste San groep in D’kar) nu een geschreven taal is (niet dat alle San kunnen lezen en schrijven...) en dat ergens in 2011 een Naro vertaling van de bijbel zal worden gedrukt. En daar werken ze samen met hun team van vertalers dus al een jaar of twintig aan. Ik weet niet zo goed wat ik daar nou van moet vinden maar besluit dat ik in elk geval erg onder de indruk ben van het gemak waarmee Hessel in de onmogelijke klik-taal met Blackie praat. Ik krijg van hem ook meteen even een crash course in de wijze waarop de vijf verschillende kliks worden geproduceerd en krijg als huiswerk de handouts mee die door het Language Project zijn geproduceerd. En een boekje met bijbel verhalen in Naro...tsja...
De zon blijft die middag keihard schijnen en met het zweet op mijn lijf loop ik met Blackie[1] naar het einde van de gravel road, waar de enige bar van D’kar elke avond de deuren opent. Ik koop wat biertjes en loop terug, naar het kleine erfje met de huizen van Laura en Molly (een Peace Corp Volunteer uit de VS) waar we happy hour drinks hebben en een heerlijke maaltijd eten van sla uit Laura’s groententuintje. Na een hele gezellige avond vol gesprekken over de verschillen tussen leven in D’kar en in de States/Europa klik ik mijn zaklamp aan en loop ik onder de prachtige sterrenhemel naar mijn witte huis toe. Hemelsbreed een afstand van nog geen 200 meter, maar in het donker in de bush lijken alle bomen op elkaar, dus het kost me zeker 10 minuten om mijn weg te vinden. En dan, net als ik het hangslot aan mijn buitendeur heb dichtgemaakt en in mijn huis sta, krijgt Blackie toch nog gelijk: de eerste regen van de Kalahari valt met bakken naar beneden op de uitgedroogde zandpaden en doornstruiken van D’kar.
[1] Okay, ik moet nu toch echt even iets zeggen over die naam, die ik vanwege de voor mij politieke incorrectheid maar lastig vind om uit te spreken aan het begin. De San vinden zichzelf niet black, maar rood of geel. De BaTswana, dat zijn blacks, en de blanken gewoon blank. Blackie heeft voor een San een behoorlijk donkere huid en dat heeft zijn ouders bij zijn geboorte doen besluiten dat dit wel een geschikte naam was




