vrijdag 29 april 2011

Zondagavond: Wicked Jazz Sounds African Style

17 oktober 2010

Amsterdam
Een tijd lang ging ik in Amsterdam bijna elke zondag naar Wicked Jazz Sounds in de Sugar Factory. Behalve dat de muziek altijd onwijs fijn is om te dansen en de biertjes lekker wegdrinken , is er altijd iets bijzonders aan op een doodnormale zondagavond uitgaan. Op de één of andere manier voelt het dansen vrijer dan normaal en smaken de biertjes nóg beter. Gewoon omdat het zondag is en je eigenlijk ook wel weet dat je thuis zou moeten zitten met een goed boek en een kop thee om bij te komen van het weekend en je voor te bereiden op weer een week hard werken.

Gaborone
De keiharde Afrikaanse jazz  die uit de boxen bij de dansvloer schalt maakt het compleet onmogelijk om te horen wat de jongens aan de andere kant van de houten picknick tafel  tegen me zeggen. Maar dat is wel prima, want eigenlijk weet ik wel zo ongeveer wat ze te melden hebben. Ze zeggen iets in de trant van dat ze nog geen Makgowa (N.CL. 6 ma-, PL. OF Lekgowa, Europeans; individuals with bodily features that are similar to those of Europeans. Origin of the word is uncertain: some people think it comes from gowa, shout, i.e. from the noise made by wagon drivers who first brought Europeans into the country) als vrienden hebben en dat ze daarom graag mijn nummer willen en me beter zouden willen leren kennen. De interesse is niet echt  wederzijds, want ik ben hier al met mijn nieuwe Botswaanse  ‘vrienden’. Die bovendien over andere dingen kunnen praten dan mijn blonde haar en blauwe ogen en het feit dat ik Black Label drink, klaarblijkelijk een bier voor mannen.
Ik heb de slanke, sprankelende Koketso nog maar net ontmoet, maar we zijn al in een gezellig en interessant gesprek terecht gekomen over het leven in Botswana in het algemeen en haar leven in Gabs in het bijzonder. Koketso is de vriendin van mijn tijdelijke gastheer Abed (of één van de vriendinnen, het lukt me niet om dat helemaal duidelijk te krijgen. Dit is in Botswana –waar het vrij gebruikelijk is om meerdere vaste partners te hebben die niet persé officieel van elkaars bestaan weten- wel vaker het geval) . Ik heb Abed en zijn huisgenoot Festy vandaag leren kennen, toen ik ineens met mijn backpack op mijn rug voor hun deur stond. Mijn vriendin Tina had me hun nummer gegeven omdat ik op zoek was naar een slaapplek in Gaborone. En zo komt het dat ik op deze zondagavond in een bar in Gabane de Afrikaanse versie van Wicked Jazz sounds meemaak. De verschillen tussen Wicked Jazz in de Nederlandse hoofdstad en in dit aan de Botswaanse hoofdstad vastgegroeide dorp?:

  • Waar we in A’dam zo laat mogelijk de donkere, rokerige ruimte van de clubs lijken op te zoeken en de hele nacht doorgaan, beginnen de Tswana graag zo vroeg mogelijk aan hun zondagse biertje (liefst ergens tussen 9am en 11am, in principe meteen nadat je opstaat en je tanden gepoetst hebt). Ze gaan overigens wel over het algemeen ook de hele nacht door.
  • In Amsterdam fiets je met of zonder lampjes naar de kroeg, in Botswana stap je met of zonder alcohol in je mik (meestal met) lekker in de auto.
  • In NL heb je mazzel als je twee keer per jaar de gelegenheid hebt om buiten te staan als je bier drinkt (plus Koninginnedag natuurlijk), in Bots moet je goed zoeken om een overdekte uitgaansgelegenheid te vinden. Wat in verband met het hier daadwerkelijk goed nagevolgde rookverbod voor mij als roker erg prettig is. 
  • In de Sugar Factory ben je met een groep vrienden. Iedereen doet over het algemeen erg zijn best om zo min mogelijk in contact te komen met andere groepjes vrienden (tenzij men iets van elkaar wil natuurlijk). In deze jazz bar (zonder naam) en in Botswana in het algemeen is het een ongeschreven regel dat je niet naar huis gaat voordat je met elke aanwezige even een paar zinnen hebt uitgewisseld. Dat is dus met elke aanwezige. En ja, dat kan best een tijdje duren. Maar mensen in Botswana hebben tijd. Altijd!
  • Geen zondags biertje zonder een stuk vlees en mabele (sorghum) of papa (maize meal) en soup (de saus/jus waarin meestal drie stukjes ui en een stukje paprika drijven waardoor de Tswana tevreden vaststellen dat ze ook groente hebben gegeten deze maaltijd). Jij wijst een goed stuk vlees aan voor jou en je vrienden, de braaimaster gooit het op het vuur. Jij zoekt een lege kartonnen biertray of iets anders plats dat als gemeenschappelijk bord kan dienen en daarop worden dan door de braaimaster en assistent een flinke homp pap en je vlees op geserveerd. Even je handen wassen bij het kraantje en dan met z’n allen om de maaltijd heen en met je handen kleine balletjes kneden van de pap, soppen in de soup en met een hap vlees je mond in. Wij Nederlandsers eten meestal pas ná het dansen. Lekker frikadellen en kaassouffles enzo.

  • In de manier waarop mensen dansen zijn ook wat verschillen aan te wijzen, maar niet door mij. Als ik dat wel zou kunnen zou ik niet steeds zo kansloos voor aap staan als ik me hier op de dansvloer waag (wat hier overigens wel een stuk makkelijker en vaker gebeurt dan in NL want hier weet ik tenminste zeker dat mensen vinden dat ik raar dans, in Nederland ben ik daar altijd wat onzeker over)
  • In een extreem ongelukkig geval gebeurt het in de Sugar Factory (of een andere kroeg/club) weleens dat iemand onderuit gaat (de één wat vaker dan de ander natuurlijk. Yours truly wat vaker, dat mag best gezegd worden). In Botswana is dat eerder regel dan uitzondering. Mensen schijnen hier niet bekend te zijn met het concept ‘je grens kennen qua alcoholconsumptie’ (ik beweer niet dat iedereen in Nederland daar zo goed in is, hier is het dronken op je bek gaan gewoon wat meer standaard. Zie hier één van de redenen dat ik er hier best lekker tussen pas:-)
En de overeenkomst?:
Net als de Amsterdammers stellen de inwoners van Botswana het begin van de werkweek met alle liefde nog een beetje uit door middel van ongecompliceerd drinken en dansen op wicked jazz.

woensdag 27 april 2011

Joburg twee gezichten

15 oktober 2010
Op woensdag loop ik tussen de opengescheurde vuilniszakken en prut in de drukke straten van Alexandra, vol vieze maar mij inmiddels vertrouwde township geuren en kleuren en lawaai. Toeterende volgeladen taxibusjes, op elke straathoek vuurtjes met maiskolven en kippenpootjes erop (niet de vlezige dijen (?)die wij in het Nederlands kippenpoten noemen, maar echt letterlijk de taaie voetjes van de kip), een doordringende stank van urine. Op donderdag sta ik met mijn blote voeten in het kortgeknipte gras van de Rivonia Stables. Het hectische verkeer en de gevaren van deze miljoenenstad op veilige afstand in deze parallelle wereld.


In Johannesburg schuren de levens van arm en rijk langs elkaar heen. Het is een immense stad met miljoenen inwoners en extreme verschillen. Nergens heb ik eerder zo decadent sushi gegeten, nooit zag ik ergens anders een hippere club met een grotere verscheidenheid aan mensen of een groter winkelcentrum. Dat was in Sandton, het van geld overstromende bruisende centrum van de (blanke en zwarte) middenklasse en rijken. Hemelsbreed een paar kilometer verderop ligt de oudste (zwarte) township van de stad, Alexandra, wiens bewoners stuk voor stuk een dagelijks gevecht voeren om het hoofd boven water te houden en de voeten uit de prut. Ik heb het geluk dat ik beide gezichten van deze fascinerende stad kan meemaken, omdat ik vrienden heb gemaakt die deze verschillende stadsdelen hun thuis noemen.

Woensdagochtend is het Kgakgi die me geduldig staat op te wachten in de aankomsthal van het vliegveld. Kgakgi Maloke, de stugge eigenaar van bar/pension Club Jazz in Alex die werkelijk overal een mogelijkheid om geld te verdienen in ziet en die altijd een beetje grumpy overkomt, maar eigenlijk heel erg lief is. Ik leerde hem en zijn fantastische vrouw Thoko kennen via Ilja, een vriend die een aantal maanden in Alexandra woonde om daar zijn antropologische afstudeeronderzoek te doen. Inmiddels hebben Kgakgi, Thoko en ik samen besloten dat zij ‘mijn Afrikaanse ouders’ zijn en voelt Club Jazz tussen de shacks van Alex als mijn home away from home. Kgakgi en Thoko hebben een paar goede dingen meegemaakt in hun leven en heel veel nare dingen. Goed is dat ze een stukje land erfden (een zeer waardevol iets in Alex, waar pakweg een half miljoen mensen samengepakt op een paar vierkante kilometer wonen). Door Kgakgi’s ondernemingszin (en zijn voor lokale begrippen gematigdheid in alcoholconsumptie speelt hierbij ook vast en zeker een rol) en Thoko’s gedisciplineerde en efficiënte mentaliteit van hard werken en niet zeuren hebben ze met hun bed&breakfast en overdekte veranda waar ze feesten en partijen  verzorgen een redelijk stabiele inkomstenbron voor zichzelf en hun (klein)kinderen weten op te bouwen. De nare dingen –waarvan ik waarschijnlijk maar een heel klein deel weet- hebben te maken met het harde leven in de township. Het opvoeden en op het rechte pad begeleiden van je (klein)zoons in een wereld van criminele jeugdbendes, armoede, onrecht, werkeloosheid, drugs en alcohol, HIV/AIDS en schietpartijen op de hoek van de straat is niet makkelijk. 


De warme en gastvrije ontvangst in Club Jazz bezorgt me ook deze keer weer tranen in mijn ogen. Na een innige omhelzing vraagt Thoko me een kwartier lang naar het welzijn van mijn ouders, mijn oma, mijn broers en zussen, mijn kleine nichtje en al mijn andere familieleden. Ze kent al deze mensen alleen maar van foto’s en verhalen maar uit alles blijkt dat ze voor haar belangrijk zijn omdat ze voor mij belangrijk zijn. Op mijn beurt vraag ik haar naar de laatste nieuwtjes in de familie en daarna kunnen we over tot de orde van de dag. Ik zet mijn backpack neer in ‘mijn kamertje’ en loop naar de winkels van het Pan Africa winkelcentrum en Thoko buigt zich over een grote tobbe wasgoed. Die avond drink ik een biertje met Kgakgi en een vriend, terwijl we interessante discussies hebben over zwart en wit, arm en rijk en goed en kwaad. Na een geweldige maaltijd van Thoko (Ilja en ik hebben het in Amsterdam regelmatig watertandend over haar kookkunsten en overwegen serieus om haar ervan te overtuigen dat ze in Amsterdam haar eigen restaurantje moet opzetten, dat dan natuurlijk ‘Thoko’s toko’ zou gaan heten) duik ik mijn bed in.




 Op donderdag brengt Kgakgi me naar het andere gezicht  van de stad. Achter hoge hekken met scherpe punten en indrukwekkende alarmsystemen staan monsterachtig grote honden naast grote huizen te blaffen naar elke beweging op straat. Achter een van deze hekken gelukkig een vriendelijk en bekend gezicht: mijn vriendin Sara die ik 7 maanden geleden voor het laatst zag!
Saar woont (een tijdje) in Joburg (normaal gesproken in Amsterdam/Almere en ik leerde haar kennen in Botswana) en loopt een stage in het Sunninghill ziekenhuis, een scooterritje van 10 minuten verwijderd van waar ze woont (wat niet betekent dat ik geen doodsangsten uitsta bij haar achterop...op een scooter tussen het wilde verkeer van Joburg is best eng). Ik blijf een paar nachtjes bij haar en geniet van heerlijk eten, een gezellige braai (bbq op z’n Afrikaans), kleren en boeken kopen, een interessante cursusdag over infection control in het ziekenhuis, lekkere biertjes en Saar’s enthousiaste gezelschap. En omdat Sara zich hier in Zuid-Afrika weer in haar kinderdroom gestort heeft – ze geeft paardrijles aan kinderen bij de manege om de hoek- sta ik ook ineens op zaterdag ochtend vroeg (erg vroeg, na die lekkere biertjes:-) tussen de paarden.
Het contrast tussen de netjes Engels sprekende kinderen die behendig op de ruggen van de paarden klimmen (of er soms misschien zelfs een beetje overheen getild worden :-)  en de kinderen van Alex met hun gescheurde kleren die gefascineerd, bijdehand en verlegen tegelijk ‘mlungu, mlungu’ naar me roepen wanneer ik langsloop, is groot.
Niet dat zij daar iets aan kunnen doen overigens. Maar het fascineert me, deze stad, dit land. De verschillen. En het feit dat de kinderen uit Rivonia zeer waarschijnlijk nooit van hun leven vieze voeten zullen halen in de straten van Alex en dat de kinderen uit Alex op hun beurt nooit het kriebelende gras van de Rivonia Stables onder die van hun zullen voelen. Dat geluk bestaat in deze schizofrene wereld misschien alleen maar voor buitenstaanders. 


dinsdag 5 april 2011

Mijn eerste Afrikaanse deken

2 april 2011
Klappertandend werd ik vanochtend wakker. Met voeten als ijsklontjes stapte ik naast mijn bed. Terwijl ik in één greep zoveel mogelijk doeken en handdoeken uit mijn kast graaide en om mijn lijf heen wikkelde besloot ik dat vandaag dan echt de dag was aangebroken. Na meerdere reizen en in totaal ruim een jaar wonen in zuidelijk Afrika zou ik vandaag dan eindelijk mijn eerste echte Afrikaanse deken gaan aanschaffen. 

Net als in veel andere Afrikaanse landen zijn grote dikke dekens met de meest wanstaltige kleurige bloemen en/of wilde dieren motieven erop een belangrijk onderdeel van het straatbeeld in Botswana. Werkelijk elke onderweg-zijnde Afrikaan sleept ten alle tijde een deken, (of twee, of drie) mee. Over de scheef hangende en uit elkaar vallende hekjes in D’kar hangen elk weekend weer bonte verzamelingen afstotelijk gekleurde dekens. In de schemer van de ochtend en de avond wikkelen vrouwen dikke dekens om hun dikke dijen heen terwijl ze hurkend bij het vuur de ochtend-thee of de avond-pap staan te roeren. En zit je zwetend en naar adem snakkend in een snikhete bus met potdichte ramen (op de een of andere manier zijn mensen hier ervan overtuigd dat je kou kunt vatten van een briesje door het bus raampje...vooralsnog ben ik de discussie over of het risico op TB in een niet-geventileerde ruimte niet duizend maal groter is nog maar niet aangegaan) dan heb je vrijwel altijd de betwistbare mazzel dat de dame naast je zich nog eens lekker extra instopt onder een van de 5 dikke dekens die standaard onderdeel uitmaken van de 10 tassen tellende bepakking die ze op haar hoofd, onder haar oksels en op haar rug even later de bus uitzeult. 
Na koeien lijken dikke lelijke prikkende dekens hier het belangrijkste statussymbool te zijn, een teken van rijkdom. Elke zichzelf respecterende familie-oudste zorgt ervoor dat er een paar dekens included zijn in de lobola ofwel bruidsprijs die betaald wordt aan de familie van de dame die door haar familie wordt weggegeven aan de familie van de bruidegom (de onderhandelingen over deze lobola  en de manier waarop de trouwerij gevierd zal worden neemt niet zelden maanden en maanden van overleg tussen beide families in beslag, hierover in een later stukje zeker meer!)

En jullie in Europa dachten zeker dat je onder de eeuwig zonnige Afrikaanse hemel geen dikke dekens nodig had? Fout! Hoewel de dagen hier ook nu in april nog zeer aangenaam zijn –laten we zeggen dat de gemiddelde middelbare school in Nederland allang het tropenrooster ingevoerd zou hebben als de omstandigheden waren zoals op een doodgewone winterdag in Botswana- worden de nachten zo tegen maart, april aan steeds koeler. Zodra die grote oranje Afrikaanse zon aan het einde van de gravelroad de doornbosjes in stort, dondert de temperatuur ook keihard naar beneden. 

Vandaag dus liftend in ‘the back of a bakkie’ naar Ghanzi voor 'de grote aankoop'. En wat had ik er zin in! Het was een beetje te vergelijken met die ene keer per jaar dat je met je ouders naar de Bentex ging om een nieuwe winterjas uit te zoeken. Opgewonden en stiekem een beetje misselijk van de verwachting en het vooruitzicht op die glimmende zachte nieuwe jas (liefst paars met rood en geel en groen) die maandag op het schoolplein jaloerse blikken zou veroorzaken.
In februari, toen we hier in D’kar zo af en toe verwend werden met een heerlijke koele avond, begon ik al met dromen over mijn eerste Afrikaanse deken. Ik dagdroomde over de kleur, het motief (een exotische Japanse bloem, of toch liever eentje met zebra’s, of zou ik misschien zelfs voor die met de wijd opengesperde leeuwenbek durven gaan?). Natuurlijk was ik het allerliefst naar hoofdstad Gaborone afgereisd om de meest hippe en nieuwe deken te kopen waarmee ik in D’kar behoorlijk de show zou stelen. Maar ik bedacht me toch net op tijd dat een negen uur durende busreis misschien toch wat overdreven zou zijn voor de aanschaf van een deken. Hoewel ik er dan meteen wel mooi mee had kunnen pronken in de bus en mezelf er lekker mee kunnen instoppen, stiekem genietend van de jaloerse blikken op mijn zachte, fantastische, hippe droom van een deken.

Geen tijd en geld voor Gabs, dus moest ik het doen met het aanbod van de drie ‘China shops’ die het stadshart van Ghanzi rijk is. En of ik daar mijn slag kon slaan! Na drie uur dekens betasten, aaien, van een afstandje bekijken en toch maar weer terugleggen, winkel in en winkel uit, vond ik dan toch eindelijk mijn eerste echte Afrikaanse deken:  knalblauw met bloemen EN een wanstaltige zebra print! 
Nu hoor ik er dus echt bij en ben ik de trotse eigenaar van mijn eerste echte Afrikaanse statussymbool!



P.S. 3 Mei 2011:  Ondertussen ben ik mijn mooie zebra deken vergeten in New Xade...:-( Maar gelukkig had Laura nog een deken over! Zie hieronder mijn prachtige 'leeuwengezin' deken!!